,,Wat is de plaats van de radio aan het begin van de 21e eeuw in Nederland? Welke taken en functies heeft het medium nu en hoe zal het medium in de toekomst gebruikt worden?’’, zo luidt de probleemstelling van deze scriptie. Aan het slot hiervan is het tijd geworden om enige conclusies te trekken.
Het lijkt me aardig om antwoord op deze probleemstelling te geven aan de hand van de in de inleiding geintroduceerde stelling: ,,Radio is een ondergewaardeerd medium en is het stiefkind van de heersende kijkcultuur. Het medium zal niet verdwijnen, maar in afgeslankte en andere vormen doorgaan’’.
Ondergewaardeerd en stiefkind van de heersende kijkcultuur… Naar mijn overtuiging zien te veel mensen de radio als een medium dat er ‘gewoon’ bij hoort of ‘van vroeger’ is en niet als een volwaardig medium als bijvoorbeeld televisie. Wie zegt er nu: ,,Heb je dat-en-dat gisteren op de radio gehoord?’’ Niemand toch?! We leven in een beeldmaatschappij. Alles wordt meer en meer gevisualiseerd. Alleen het beeld lijkt te tellen. Even een testje voor de lezer. Wanneer u moest kiezen of de radio of de televisie het huis uit zou moeten, wat zou u in zo’n geval doen?
De beeldgerichtheid van vandaag de dag speelt de radio behoorlijk parten. Hoewel uit cijfers blijkt dat de radio nog altijd meer luisteraars heeft dan de televisiekijkers, draait het uiteindelijk om de vraag wat uiteindelijk de impact van een medium is. Tenslotte willen programmamakers via een massamedium iets overdragen. De hoge luistercijfers zeggen niets over het soort programma waarnaar geluisterd wordt! Het marktaandeel is vooral ‘te danken’ aan de opmars van de commerciele amusementszenders als Sky Radio, Radio 538 en Radio 10 Gold. Deze zenders, waarbij piratenzenders als Veronica en Radio Noordzee de voorlopers waren, hebben tot ‘vertrossing’ (vervlakking) geleid, waarbij een duidelijke, horizontale programmering centraal staat volgens een bepaald format. Luisteraars weten wat ze kunnen verwachten. Met deze voorspelbaarheid wordt het verrassingseffect dat radio kan hebben -het interessante nieuwtje of de boeiende reportage- sterk gereduceerd.
De vervlakking heeft al tot een flinke afname van belangstelling voor het pluriforme radiobestel geleid. De publieke zenders volgen inmiddels het commerciele voorbeeld na. Zenderkleuring, horizontalisering en centralisering van bestuur zijn begrippen die in Hilversum niet onbekend zijn.
Bijna de helft van het marktaandeel is nu in handen van de commercie. De oeroude bedoeling van het medium radio, geld verdienen, keert terug. In feite wordt hiermee het kwaliteitsniveau van de radio beperkt tot de hoofdfunctie amusement, want dat brengt geld in het laatje! Wellicht komt er in de toekomst een keerpunt waarop men in zal zien dat het ‘te veel van hetzelfde is’. Geschiedenis, heden en verleden hebben zich altijd gekenmerkt door golfbewegingen in opvattingen. Nu is het weer de tijd van de commercie, over twintig jaar weer publieke omroep?
Met deze scriptie heb ik willen aangegeven dat de radio veel meer omvat dan amusement. Het medium is uniek en juist veelzijdig! Uniek omdat de luisteraar puur moet afgaan op klanken, klemtonen, pauzes en andere akoestische middelen. Dat is ‘nieuw’ voor de doorsnee kijkbuismens. Het is het medium van de verbeelding, waarin een actieve luisterhouding wordt gevraagd van de luisteraar. De luisteraar denkt mee, laat de informatie zijn geest binnenstromen. Het is -zoals Le Poole zegt- de snelste weg naar het verstand en het hart van de mensen. Het medium zet onderwerpen uitvoerig neer en prikkelt de fantasie. Kortom: het vraagt activiteit van de ontvanger, maar dringt zich niet op! Radio komt uit onderzoeken naar voren als een ‘huisvriend’. Het laat aan de luisteraar over of hij wil luisteren of niet en vraagt niet constant om aandacht. Beelden op televisie, Internet, op straat: allemaal vragen ze honderd procent aandacht. Constant. Men kan er niet ‘even’ wat anders naast doen. Bij radio kan dat wel. Radio is zoals gezegd, een veelzijdig medium. Allerlei vormen van radio zijn mogelijk, maar worden te weinig gebruikt. Waar is het hoorspel bijvoorbeeld gebleven? En de lange documentaires? Oh, ja, natuurlijk. Ze zijn er nog wel, maar bieden onvoldoende tegenwicht tegen de commercie!
Vanaf het begin heeft de radio drie hoofdfuncties gehad, namelijk informatie; amusement en educatie. Als vierde kan men levensbeschouwing onderscheiden. De informatiefunctie is minder belangrijk geworden, omdat mensen televisie nu als belangrijkste en betrouwbaarste informatiebron zien. Radio staat op de derde plaats, na de krant, zo blijkt uit onderzoek. De amusementsfunctie is sinds de komst van de piratenzenders en commerciele muziekzenders enorm in populariteit gestegen. De educatiefunctie is door de jaren heen vrij stabiel gebleven. De levensbeschouwelijke functie is terug te vinden in de doelgroepzender, radio 5. Hierop komen allerlei groeperingen aan het woord. De kracht van het medium zit ‘m ook in zijn specifieke kenmerken. Radio is snel en daardoor actueel; mobiel; niet duur in productie en aanschaf, en divers (indringend tot heel bescheiden, de huisvriend-gedachte).
Radio zal niet verdwijnen, maar in afgeslankte en andere vormen doorgaan.
De radio zal niet verdwijnen, dat staat als een paal boven water, want daar is het medium ‘te uniek’ voor. Er is geen ander medium dat het specifieke karakter van radio waarborgt. De huidige ontwikkelingen wijzen op de mogelijke komst van abonnee-radio, de radio voor specifieke doelgroepen. Hiervoor zal betaald moeten worden. Publieke omroepen boden tot nu toe ‘gratis’ doelgroepinformatie aan, maar moesten tegelijk een brede groep mensen bedienen. Die paradoxale opdracht zal het publieke, pluriforme bestel uiteindelijk de das om doen in de concurrentiestrijd tegen de commercie. De reclame-inkomsten dalen immers en zonder voldoende geld vaart niemand wel. De regionale omroepen hebben een flink aandeel in de radiokoek. Lokale en regionale zenders worden redelijk tot goed beluisterd. Wellicht is een mogelijke oorzaak hiervoor de voortdurende informatiestroom die aan ons voorbijtrekt, waarvan we de helft niet oppikken. Wat dicht bij huis zit, wordt sneller opgepakt.
Het aanbod van nieuwe zenders stijgt, de beschikbare etherfrequenties worden schaars. Als oplossing wordt hiervoor de kabel gebruikt. Digitale uitzendingen zijn minder storingsgevoelig en de geluidskwaliteit is vergelijkbaar met een compact disc. Een nadeel van digitale radio is dat de mobiliteitsfunctie van radio, door gebruik van die kabel, afneemt.
De radio zal waarschijnlijk deels integreren met Internet. De eerste Internet-radiozender bestaat inmiddels al. Die ‘geluidsdatabases’ zullen net als bij abonnee-radio zeker een bepaalde groep huidige luisteraars aanspreken, of dit verder zal toenemen, valt nu nog niet te overzien. Wanneer er bezuinigd moet worden zal dit waarschijnlijk op onder andere abonnee-radio zijn en zal men terugvallen op de ‘gratis’ omroepen.
Het huidige luisterpubliek zal nog verder versnipperen, wanneer de trend op het gebied van abonnee-radio en Internet-radio zal doorzetten. Radio blijft radio, alleen in een andere vorm.
De overheid heeft zich door de jaren heen vrij terughoudend opgesteld ten aanzien van de regelgeving van de radio. Zij wilde de samenleving laten functioneren als een gemeenschap van vrije en verantwoordelijke mensen. Wanneer zij echter de commerciele omroep buiten de deur had gehouden, zou de toekomst van het medium radio in Nederland er heel anders uitzien. De overdracht van vrije, onafhankelijke informatie blijft van levensbelang voor het functioneren van een democratie als Nederland.
De Commissie-Ververs besteedt in haar rapport te weinig aandacht aan een specifiek medium als radio. Omdat het bij televisie om zoveel geld gaat (radio is immers zo goedkoop!), gaat daar -onverdiend- de meeste aandacht naar uit. De opvatting dat problemen bij radio niet beter opgelost kan worden dan het nu gaat, dat wil zeggen door middel van de netmanagers-gedachte, is onzin. Ik ben het eens met Van der Veer dat het wel degelijk uitmaakt dat de omroep zelf kan bepalen waar en wanneer een programma wordt uitgezonden. Anders winnen de populaire programma’s: zij krijgen de beste uitzenduren en trekken de slechtst beluisterde programma’s (vaak de identiteitsgerichte programma’s) aan het kortste eind. En verdwenen is die felbegeerde pluriformiteit!
Verdwijnen zal de huidige publieke radio niet. Al was het ‘maar’ vanwege de -nog altijd- gesegmenteerde samenleving, de lage productie- en aanschafkosten, mobiliteit en actualiteit. Wellicht dat er landelijke publieke radiozenders verdwijnen en dat de regionale en lokale omroepen in populariteit zullen stijgen.
Uit hoofdstuk 1 kunnen we concluderen dat de uitvinding van de radio ervoor gezorgd heeft dat draadloos, geluid kon worden verzonden. Het medium was een van de eerste toegepaste vormen van de draadloze communicatie. Laten we die herinnering vasthouden en bedenken dat vooruitgang (televisie, Internet) niet per definitie een verbetering hoeft te zijn. Soms worden er uitvindingen gedaan die ‘gewoon’…. vanzelfsprekend in orde zijn! Laat die radio zelf maar eens spreken…. Daar kan geen scriptie tegenop.
Met dank aan de Afstudeerscriptie van Hans-Lukas Zuurman
30 november 1996. Laatste update: woensdag 21 februari 2001.
Laatste wijziging: 27-11-2001 18:20:36